Onthullend interview Boekenbijlage.nl

26 April j.l. verscheen een uitgebreid, onthullend interview over mij op Boekenbijlage.nl. (Kijk eens rond op deze leuke website waar zowel nieuwe als oude boeken worden besproken en schrijvers worden geïnterviewd). Ik vertelde jeugdboekenauteur en blogger Pieter Feller openhartig over mijn gevoel nadat ik de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs niet had gewonnen. En ook vertelde ik hem waarom ik schrijf. Lees hieronder het interview.

Saskia Maaskant haatte de harde klanken van het Nederlands

Saskia Maaskant 1

Saskia Maaskant(1981) groeide op in het Zeeuwse vissersdorpje Bruinisse. Ze was geen buitenspeelkind maar vermaakte zich binnen met lezen, tekenen en kleuren en soms dromerig uit het raam staren. Ze las de Donald DuckSuske en Wiske en ook bibliotheekboeken. Rond haar elfde schreef ze haar eerste verhaaltjes. Toen ze een jaar of dertien was, kocht ze een schildersezel en ging schilderen. Na de blokfluit op de basisschool speelde ze cornet in de plaatselijke fanfare, maar op haar zestiende had ze genoeg van de blaasmuziek en werd ze een echte rockchick. Zeven jaar lang was ze zangeres in een rockband en zong o.a. liedjes van Lenny Kravitz, Pearl Jam en Anouk. Na het VWO studeerde ze in Rotterdam International Business and Languages. Momenteel is ze werkzaam als Creative Office Manager. Lang was schrijven haar hobby tot ze in 2009 meedeed aan een schrijfwedstrijd van uitgeverij Davidsfonds in België. Haar manuscript werd genomineerd voor de “Zoute Zoen Publieksprijs 2010” en met dat boek De verteller van Beorga debuteerde ze in het voorjaar van 2011. Haar tweede boek Kieuw uit 2013 werd genomineerd voor de Dioraphte Jongerenliteratuur Prijs 2014.

Je hebt de Dioraphte Jeugdliteratuur Prijs niet gewonnen. Wat is je reactie?

De nominatie was één groot feest. Het was een bekroning voor mijn werk en een bevestiging van mijn goede gevoel over Kieuw. En een eer om ‘verbonden’ te zijn aan grote namen als Eggers en Ness. Alle aandacht rondom de Dioraphte zorgde ervoor dat mijn boek, dat zoals Bas Maliepaard dat in de boekenbijlage van Trouw zo mooi verwoordde – ‘ten onrechte onopgemerkt bleef’ – , een tweede kans kreeg.
Ik heb geen moment gedacht dat ik een kans had. Dat was niet eens uit zelfbescherming, maar gewoon omdat ik nog een nobody in de boekenwereld ben. De Publieksprijs: daar kon ik mijn best voor doen en dat heb ik gedaan, elke dag postte ik een gekke foto van Kieuw op Twitter. Maar ik hield altijd in mijn achterhoofd dat de doelgroep, de jongeren, zouden stemmen op de boeken die ze kenden. Dus niet op die van mij. De vakjuryprijs, daar was ik al snel uit. Die kon ik niet winnen, simpelweg omdat de anderen zo goed waren. Vorig weekend las ik het boek van de winnares, Ineke Riem, en zei tegen mijn man: ‘Zij wint het. Ik kan het onmogelijk van haar winnen, omdat dit boek ronduit schitterend is.’
Wel vind ik het jammer en ook typisch dat Kieuw eigenlijk het enige boek was dat ook echt voor jongeren is uitgegeven. Alle andere genomineerde boeken niet. Dus in dat opzicht vind ik wel een beetje dat de jury appels met peren heeft moeten vergelijken.
Ik ben absoluut niet teleurgesteld. Het feit dat ik niet gewonnen heb, zie ik niet als een stimulans. Ik zag de hele uitreiking in Amsterdam, als een leuk uitje. Mijn man en ik zijn daarna uit eten gegaan, bij een sprookjesachtig uitzicht op een rederij. We spraken erover dat ik eens een dagje naar Amsterdam moest gaan, met mijn notitieblok en vulpen, om indrukken en inspiratie op te doen. De nominatie voor Dioraphte zie ik als een bekroning, als een erkenning. Ik ben goed bezig, wat ik schrijf is goed te pruimen. Het zit in mij om altijd naar een dubbel-en-dwarse bevestiging te zoeken. Die heb ik nu gekregen. Maar – en dit komt puur door hoe ikzelf in elkaar steek – werkt dit voor mij eerder negatief uit dan positief. Bij mijn volgende roman leg ik de lat voor mezelf nog hoger. Ik ben er nu al bang voor, dat het me niet gaat lukken er een beter boek uit te persen dan Kieuw. Misschien is het daarom ook wel goed dat mijn volgende boek waarschijnlijk een dystopische toekomstroman zal zijn. Iets heel anders dan Kieuw dus.

Je las als kind heel veel; strips en kinderboeken. Welke boeken hebben destijds veel indruk op je gemaakt en waarom? Oftewel welke boeken gaven jou een ‘wauwgevoel’?

Ik ben iemand die altijd erg slecht keuzes kan maken. Ik vond en vind veel boeken leuk. Maar er zijn er maar een paar die ik meer dan één keer las. En waarbij ik keer op keer een brok in mijn keel kreeg. Dat waren o.a. de boeken Gebroeders Leeuwenhart en Ronja de roversdochter van Astrid Lindgren. Een vergelijkbaar ‘wauwgevoel’ had ik met De kinderen van moeder aarde een reeks van Thea Beckman en de Kleine Kapitein-reeks van Paul Biegel. Morgen ben ik weer beter van Evert Hartman bleef dagenlang in mijn hoofd rondspoken, ik tekende en kleurde de cover na voor een boekverslag. Juniper en Heksenkind van Monica Furlong – hetzelfde verhaal en ook De Kloof en Koning van Katoren van Jan Terlouw. Van die laatste vier heb ik tweedehands exemplaren met de ‘originele covers’ op de kop kunnen tikken. Ze staan nu te blinken en mooi te zijn in mijn boekenkast en ik heb ze wéér herlezen. Het ‘wauwgevoel’ is er nog steeds.

Op welke leeftijd ben je begonnen met het schrijven van verhaaltjes en waar gingen ze over?

Ik was tien of elf. Ik schreef ‘echte boeken’ in mooie schriftjes met een harde kaft die ik van mijn spaargeld kocht. Het waren spannende avonturen en paarden speelden vaak een bijrol. (Waarschijnlijk omdat ik wilde paardrijden, maar dat niet mocht omdat het zo duur was). Toen al concentreerde ik me vooral op dialogen tussen de personages. Tijdens lezingen lees ik soms een stukje voor. Leerlingen zijn dan vooral verbaasd over de levendigheid en de humor die in de dialogen zit.

Na het VWO ging je HBO International Business and Languages studeren. Geen idee dus om schrijver te worden?

Na het VWO had ik een haat/liefde verhouding met literatuur. In mijn examenjaar viel ik tien kilo af omdat ik, waarschijnlijk als enige studente ooit, werkelijk álle punten van mijn lijst las. Álles. Voor Engels, Duits, Frans en Nederlands. (Behalve Faust, van Goethe. Niet doorvertellen). En ik kampte met het probleem ‘geen keuze kunnen maken’, een probleem waar ik overigens nog dagelijks mee te kampen heb. Dus koos ik voor een studie die het best aansloot bij mijn interesses en sterke punten, en waar ‘werk in te vinden was’. Dat eerste was ‘vreemde talen’ (met name de Franse taal) en dat laatste was ‘commerciële economie’. Nederlands was voor mij toen nog een noodzakelijk kwaad. D’s en t’s? Ik was de slechtste van de klas. Ik zag de schoonheid niet, haatte de harde klanken. Besefte absoluut nog niet dat de Nederlandse taal verreweg de mooiste taal is. Dat besef kwam pas later, toen ik mijn moedertaal na een ernstige ziekte – een zware hersenontsteking – een tijdje kwijt was. Ik moest toen vechten om de Nederlandse taal terug te krijgen, schreef mijn afstudeerscriptie omringt door stapels etymologische woordenboeken. Simpelweg omdat ik de betekenis van de woorden kwijt was. Dat bracht mijn taal terug en dus begon ik met schrijven. In die tijd overkwam het me met regelmaat, dat ik in vervoering raakte van Pascal Jacobs, die de teksten van BLØF zo mooi kan brengen. (En die teksten van BLØF! Wauwgevoel!)

Je bent een Zeeuws meisje net als Franca Treur, voldoe je ook aan de typisch Zeeuwse clichés van een zuinige en gereformeerde opvoeding/afkomst?

Ja, ik ben een echt Zeeuws meisje net als Franca. Ik ben opgegroeid mét die clichés, in een tijd waarin de polio de kop op stak, en ook kinderen in mijn omgeving trof die niet gevaccineerd werden. In een dorp waar je de was in de jaren negentig zondags niet in het zicht kon ophangen, of de auto op straat kon wassen. Waar, hoe warm de zon ook is, de zwarte driedelige pakken elke zondag nog uit de kast komen en hoeden worden opgezet die bij personages uit ‘Het kleine huis op de prairie’ van Laura Ingalls niet hadden misstaan. Maar ikzelf ben opgegroeid in een ‘heidens’ gezin. Mijn oma is wél van die afkomst. Nadat ze mijn geschiedenisscriptie van het VWO, met als onderwerp ‘Kruistochten’, had gelezen wilde ze mij een boek met als titel ‘Ik verwerp de evolutieleer’ cadeau doen. Dat was de enige keer dat ik mijn oma heb uitgefoeterd. Ik duwde het boek terug in haar handen en ben, met het schuim op mijn lippen, naar huis gefietst in een moordend tempo.
Toen ik kleiner was, keek ik de mensen met ‘de hoedjes’ na, elke zondag. Ging naar een openbare school. Treurs ‘Een dorsvloer vol Confetti’ heb ik verslonden. Zij is er, wat mij betreft, meer dan in geslaagd om zo’n soort gemeenschap treffend op papier te zetten.

Je eerste boek De verteller van Beorga is een Fantasyverhaal. Kieuw is een ander genre – magisch realistisch – welke kant zal/zullen je volgende boeken opgaan?

Dat is moeilijk te zeggen, ik word nogal eens overvallen door een idee of een personage. Ik wilde een fantasy-trilogie schrijven, voor 12+. Maar een idee voor een dystopische toekomstroman drong zich aan me op. Daar ben ik nu mee bezig. Maar ik word alweer gepest door een heel sterk personage, dat de hoofdrol zal spelen in weer een magisch realistisch verhaal, zoals Kieuw. Voor mij is dat best moeilijk, aangezien ik Kers – het belangrijkste bijpersonage uit Kieuw – nog dagelijks mis. Dat is voor mij de eerste keer, dat een personage zo onder mijn huid is gekropen. En die personages zijn voor mij toch wel het belangrijkst.

Je hebt een baan en een gezin. Wanneer schrijf je? Heb je vaste tijden en een vaste plek? Kun je je goed afzonderen?

Ik heb een zware, uitdagende baan van 24 uur per week en een dochtertje van viereneenhalf. Ik schrijf op momenten dat zij op school zit en ik vrij ben. Dat is dus heel weinig. Gelukkig kan ik, als ik eenmaal de flow te pakken heb, veel in weinig tijd. Soms presteer ik het om 1500 woorden te schrijven in anderhalf uur. In mezelf afzonderen ben ik een kei, daarin lijk ik erg op het personage Filia, uit Kieuw. Ik heb een vaste plek, een vaste ‘schrijfkamer’. Maar ik kan, in perioden dat ik schrijf, ook goed ideeën formuleren in een van mijn vele notitieblokjes. Eergisteren nog, na een lezing in een boekhandel, werd ik overvallen door een scène uit Dromer, mijn nieuwe roman. Toen heb ik mijn auto op de vluchtstrook geparkeerd en wat ingesproken op mijn telefoon.

Kieuw zit op de rand van jongeren en volwassen literatuur. Voor welke doelgroep ga je in de toekomst schrijven of schrijf je gewoon je boek en zie je dan wel wie het wil lezen?

Zelf lees ik het liefst boeken die op die rand zitten. Bij volwassen literatuur mis ik vaak een bepaalde sfeer, een bepaald gevoel. En ik vind mezelf niet intelligent genoeg om voor volwassenen te schrijven. Raar idee, maar dat zit in mijn hoofd. Met mijn debuut was ik erg gefocust op de doelgroep, bij Kieuw niet. En dat heeft het boek goed gedaan. Dus ben ik niet langer meer bezig met de doelgroep, maar met het verhaal. Ik concentreer me op het verhaal en de personages, en daarna kijk ik samen met de uitgever welke ‘stempel’ er het beste bij past.

Waar komt het idee voor Kieuw vandaan?

Kieuw is niet één idee, maar het zijn er meerdere. Het zijn dan ook twee verhaallijnen die per ongeluk in elkaar pasten. Ik ben gek op de film Le fabuleux destin d’Amélie Poulain, en koesterde al jaren de wens om een boek te schrijven met die sfeer erin. ‘Dat werkt niet,’ zo zei mijn uitgeefster. ‘Amélie moet het hebben van de muziek en de beelden.’ Dus draaide ik de filmmuziek van Amélie grijs, en ging in de cadans van Yann Tierssens klassieke muziek scènes schrijven. Ik wilde graag een boek schrijven met veel autobiografische elementen erin. Zo ontstond het personage Filia Midas. Ik wilde graag een boek schrijven met een magisch tintje, zo ontstond het personage Kay Kieme. Filia had een tegenpool nodig, en een moderne versie van Mary Poppins, Kersten Braem, werd geboren. Het bijzondere verhaal van Kay Kieme moest worden opgeschreven, en zo werd het idee geboren om dit in een dagboekvorm te doen. En daar kwam het personage Ofélie Midas om de hoek kijken.
Kieuw schreef ik puur fragmentarisch, in losse fragmenten. Iedere keer opnieuw werd een stukje verhaal geboren. Het einde van het boek schreef ik al vier maanden nadat ik begon met schrijven van het verhaal. En de poëtische ‘droomscènes’ schreef ik tussendoor, als ze spontaan bij me opkwamen.

Je hebt in een groep met andere beginnende schrijvers gewerkt aan het leren schrijven van een boek. Wat heb je daar geleerd?

Klopt, we noemden onszelf schrijfgroep ‘Zuidwesterstorm’. Daar heb ik geleerd te werken met een premisse, en dialogen niet te misbruiken als kapstokken om informatie aan op te hangen. Daar heb ik geleerd te schrappen en ‘darlings te killen’. En vooral ook om minder bombastisch te schrijven. De Verteller van Beorga begon ooit als een waar heldenepos, waar je de trommels als het ware bij elke zin hoorde roffelen.

Je hebt een baan als ‘Creative Office Manager’ – projecten coördineren, marketing en automatisering – je weet dus veel van marketing. Ik neem aan dat je goed weet hoe je boeken in de markt moet zetten en dat je het idee om allerlei mensen met Kieuw voor hun hoofd te fotograferen van jou is?

Ik weet wel het een en ander van marketing, maar dat is op een heel ander gebied. Een bedrijf op de kaart zetten met producten van kunststof en rubber, is andere koek dan een boek in de markt zetten. En wat betreft een boek in de markt zetten, volgde ik in eerste instantie vooral mijn gevoel en later mijn ervaringen. Het idee om mensen met Kieuw voor hun hoofd te fotograferen is geboren aan de keukentafel bij mijn ouders. Ik had al het idee rare foto’s met Kieuw te gaan nemen in de maand van de Dioraphte nominatie, en mijn jongste zusje gooide toen ineens de term #Kieuwfie op tafel. Vervolgens sloeg ze me om de oren met het idee mensen in ‘vreemde leessituaties’ vast te gaan leggen. Zij kwam met de eerste foto’s, onder anderen de foto van de keeper die zich meer bezig houdt met het lezen van Kieuw dan met het tegenhouden van de bal, en van de laborante die Kieuw nader bestudeert onder een microscoop. En zo kwamen de andere ideeën vanzelf.

Als je zeker wist dat je boeken genoeg geld zouden gaan opleveren, zou je dan stoppen je met de baan die je nu hebt?

Moeilijk. In mijn hart wil ik schrijven. Maar ik weet dat het schrijven alleen me eenzaam maakt. Mijn werk is super. Leuk, uitdagend, sociaal. Ik kan er mezelf in kwijt. Ook doe ik er vrijwel dagelijks inspiratie op voor mijn boeken en kan ik mezelf er nog steeds ontwikkelen. Als ik zou kiezen voor het schrijverschap, gewoon omdat het kán, dan zou ik er andere – sociale – dingen bij moeten doen. Om te voorkomen dat ik in een sociaal isolement raak.

Wat is het laatste boek dat indruk op je hebt gemaakt en waarom?

Zeven pogingen om een geliefde te wekken van Ineke Riem. Dit boek heeft een heerlijk sfeertje. Ze weet een besloten gemeenschap met bekrompen personages heel treffend weer te geven, zonder ‘literair’ te gaan schrijven. Aan écht ‘literair’ werk heb ik eigenlijk een gruwelijke hekel. Schrijvers die moeilijk willen schrijven, gewoon omdat ze dat kunnen en gewoon omdat ze ‘toch wel verkocht worden’, laat ik liggen in de boekhandel.

Saskia Maaskant heeft een eigen website, een twitteraccount en je kunt haar volgen op FaceBook

26 april 2014
Copyright (c) Boekenbijlage.nl, Vragen: Pieter Feller
Bron: Boekenbijlage.nl http://bit.ly/1krCwMD

Delen op: