M´n opa, m´n opa, m´n opa

M´n opa, m´n opa, m´n opa

Ik was nog geen week in Névez, Finistère, Frankrijk, toen mijn mobiel ging. Het ging slecht met opa. Dat ging het al een tijdje: hij was een flinterdun kaarsje dat steeds korter werd. Vlak voor wij op vakantie vertrokken flikkerde het vlammetje. En nu doofde het. In gedachten voelde ik opa’s laatste warme bewegingen in de lucht en zag ik zijn laatste warme gloed. En terwijl ik over de GR34 liep – de mooie kustroute van Bretagne – zag ik opa heel duidelijk voor me. M’n opa. Stevig, fier en rechtop. Met een ferme vlam die iedereen om zich heen warmte en verlichting bracht.
Er vormde zich een bal in mijn keel, mijn dochter huilde. ‘Heb ik ouwe opa nog wel gekust, voordat wij naar Frankrijk vertrokken vorige week?’
Zondagochtend kregen wij het bericht, dat opa’s vlam langzaam was uitgegaan. Ik pakte het schetsboek van mijn dochters uit de koffer. Binnen een uur stond het op papier.

M’n opa, m’n opa, m’n opa 

M’n opa was groot, heel groot.
Hij had knoesten van handen en vingers zo dik als frankfurters.
Als kind dacht ik dat hij zijn trouwring speciaal had laten maken. Misschien wel in ‘de fabriek’.

M’n opa was knap, heel knap.
De knapste man van Bru. Naar hem keek je op. Als hij een ruimte binnen wandelde, moest je kijken. Hij had iets over zich: een sprankeling, een natuurlijke nonchalance. Ook al had hij zijn knoesten in zijn zakken – hij had een vanzelfsprekende schwung.

M’n opa droeg altijd een net pak en aftershave. Heel veel aftershave. Daar spekte hij de drogisterijen op Schouwen-Duiveland flink mee en hield hij ongedierte van zijn lijf.

M’n opa had altijd Wilhelmina pepermunten in de zak van z’n colbert. Die flipte hij naar je toe, vanaf de andere kant van de huiskamer of de tuin – met z’n frankfurter duim. Dan zoefde dat Willemientje naar je toe – je ving hem altijd. En je grijnsde naar hem en stopte haar dankbaar in je mond – ook al smaakte ze meer naar zijn aftershave dan naar munt.

M’n opa was warm, heel warm. Bij hem voelde je jezelf altijd heel wat. Dan was je goed zoals je was. Of zelfs nog meer.

M’n opa had een zware stem, heel zwaar. Als hij sprak, voelde je hem vanbinnen. In je borst, in je lijf. Met die zware stem had hij het altijd over boten. ‘Kotters!’ – zou hij me luid verbeteren. Want hij was een Maaskant. Een echte Maaskant. Hij was Piet van Piet, van de fabriek.

M’n opa vertelde graag waargebeurde verhalen. Over hoe Bruinisse aan haar naam kwam. Bruin – is ze. En dan lachte hij z’n diepe, bulderende lach en die voelde je in je borst, in je lijf. En je lachte mee. Mee, met je grote opa, met z’n ondeugende ogen, als hij weer eens het verhaal van hoge nood, een krant en het Nieuwlandje vertelde.

M’n opa nam per ongeluk een voetbalwedstrijd op over een Disney video. Weg Belle en het beest. Eigenlijk had hij niks met voetbal.

M’n opa vertelde grijnzend dat hij een van de zeepjes die hij voor zijn verjaardag had gekregen, een maand daarvoor zelf had gegeven aan die neef, of nicht, of was het een oom? Hetzelfde cadeaupapier – van Antje – zat er nog omheen.

M’n opa ging grote “rondten” fietsen en lopen. Naar het Beusje om slap te ouwehoeren.

Hij vroeg altijd “doe je nog schrieve?”

M’n opa.

M’n opa was niet meer echt m’n opa, de laatste jaren.
Hij huilde als hij lachte en hij lachte als hij huilde.
Maar zijn gezicht was nog altijd knap, zijn vingers dik als frankfurters en hij was nog even warm. Zo hield hij de herinnering aan wie hij was levend.

M’n opa.

M’n opa, m’n opa, m’n opa.

Delen op: